Het verschil in gebruik tussen ‘eigen’ en ‘zelf’

In de spreektaal hoor je mensen vaak het woord ‘eigen’ gebruiken waar ‘zelf’gebruikt zou moeten worden. Zoals bijvoorbeeld in ‘ik ga me eigen ff scheren’ of ‘die broek is van me eigen’. Ik merk dat ik moeite heb met het schrijven van ‘me’ voor eigen, maar eigenlijk geeft dat al direct aan waar het probleem zit: in deze zinnen zou het woord ‘zelf’ gebruikt moeten worden in plaats van ‘eigen’ en dan klopt het: ‘Ik ga mezelf even scheren’, en ‘die broek is van mezelf’.

‘Zelf’ is onderdeel van een wederkerend voornaamwoord. Een wederkerend voornaamwoord wijst altijd terug naar het onderwerp in de zin.

Ik was me/ik was mezelf

Hij heeft zich gesneden/hij heeft zichzelf gesneden

‘Eigen’ is taalkundig een totaal ander woord dan ‘zelf’ en de twee kunnen dus niet onderling verwisseld worden. ‘Eigen’ is een bijvoeglijk naamwoord, het zegt iets over het zelfstandig naamwoord:

‘mijn rode broek’ en ‘mijn eigen broek’

Naast een wederkerend voornaamwoord heb je ook een wederkerig voornaamwoord, dat is net iets anders. Bij het wederkerige voornaamwoord is er een wederzijdse connectie, zoals in:

Piet en Klaas verdedigen elkaar

Piet verdedigt Klaas en Klaas verdedigt Piet ook.

Wat je ook tegenkomt is bijvoorbeeld: mijn eigen gebakken koekjes. Alweer fout! Het moet zijn: mijn zelfgebakken koekjes, zelfgebakken is hier het bijvoeglijk naamwoord bij koekjes. ‘Mijn eigen gebakken koekjes’ kan ook, maar dan bedoel je wat anders. Dan hoef je de koekjes niet persé zelf gebakken te hebben, maar zijn het gebakken koekjes die van jou zijn, net als bijvoorbeeld ‘mijn eigen huis’.

Succes maar weer!

(Visited 5 times, 1 visits today)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *