Ik heb een mapje met foto’s van Marc. Hij wilde niet graag op de foto, dus het zijn er geen honderden. Van de week wilde ik ze weer eens bekijken. Ik sloeg het boekje open bij een selfie van ons samen. We waren bij mijn dochter in de keuken aan het witten. We staan er niet op ons best op, zeg maar, haren makkelijk, zwarte t-shirts aan met verfvegen. Maar de foto straalt! We trekken gekke bekken, voor dochter en schoonzoon die op dat moment op vakantie waren, tja, die was al gepland toen ze ineens een huis kochten! En ineens viel het op me: die lach. Marc zijn lach. Die lach, die heb ik al heel lang niet gezien. Zo’n echte lach, zo’n hele brede, waarbij alles meelacht, zijn gezicht, maar vooral zijn ogen. Die lach, die zijn we ergens kwijtgeraakt.
Natuurlijk lachte hij nog wel, maar zo breeduit… ik ging bladeren in het albumpje. Ik zag een foto van ons samen op een oudjaarsavond, één van de eerste jaren van onze relatie, we waren allebei een beetje ziekig, hangend tegen elkaar aan met waterige ogen, maar we lachen wel echt. Een serie van vijf foto’s in het Open Lucht Museum, daar kwamen we bijna ieder jaar, gek doen voor de camera en eindigend in die echte brede lach. Hij kon dat.
Ergens in de laatste jaren zijn we die verloren. Toen de ellende begon met zijn tweede been, dat hele ziekenhuishoofdstuk, dat bijna een jaar duurde, en onze verhuizing erachteraan. Daar ergens is hij de kracht verloren om zo echt voluit uitbundig te lachen, om zich echt over te geven aan die vrolijkheid. Één van de laatste keren dat ik die lach nog heb gezien was op die zonnige zaterdag op de feestweek in Abcoude, eind augustus 2024, toen hij het zo enorm naar zijn zin had, met zijn broer en schoonzus, met allerlei andere mensen die hij al kende uit zijn jeugd of ter plekke leerde kennen. Wat was dat een topdag.
Wat kan dat confronterend zijn. Hij lachte heus nog, hij kon echt nog wel lol hebben, zeker. Maar achteraf had hij, zoals ze dat noemen, wel ‘een jasje uitgedaan’ na dat zware jaar 2023. Steeds meer ga ik dat zien. Wat die laatste ziekenhuisepisode hem gekost heeft aan kracht. Wonderlijk toch hoe je dat niet ziet terwijl je er met je neus bovenop staat. Of misschien juist wel daarom. Ik koester de herinneringen. Die lach, die was er veel vaker dan dat hij op foto’s bewezen is. Die lach was vaak naast me, vooral ook als er andere mensen bij waren, want daar hield hij van: een beetje gek doen en lachen. En daar was niet iedere keer een camera bij.