Nesteldrang

Veel mensen willen alles bij het oude laten als er iemand is overleden. De kleding in de kast, de jas aan de kapstok, de inrichting in huis, alles moet blijven zoals het was toen diegene nog leefde. Ik heb er nooit veel over nagedacht, maar ik kon me daar op zich wel in vinden.

En toch bemerk ik bij mezelf iets totaal anders en dat verbaast me. De zwarte kozijnen in ons huis, die zo waren toen we het kochten en die we ‘nog wel een keer’ wilden veranderen, die moeten ineens weg. Weg met dat zwart, weg met die rouwranden om alle deuren en ramen, weg met het donker rondom waar het licht het huis in komt. Ik had altijd hoogglans wit ervoor in gedachten, maar toen ik het er met mijn dochter over had, leek haar een kleurtje beter te passen bij ons interieur. Warmer. Wit is ook koud, net als zwart. Dus ging ik kleuren kijken. Groen wordt het. Toch weer groen. In vorige huizen heb ik ook wel groene kozijnen en muren gehad. Marc vond onze groene keuken eigenlijk wel genoeg groen. Teveel al. Toen we ons huis kochten, was de keuken wit, met van die hele strakke deurtjes. Lelijk! Ik wilde graag groen landelijk. Marc kon ermee leven en zag dat ik het echt prachtig vond, dus oké, een groene keuken. Groene kozijn zou hij echt too much gevonden hebben. Bovendien was hij kleurenblind en zag hij veel grijs ook al als groen.

En dus bestel ik ruim twee weken na zijn overlijden saliegroene verf voor de kozijnen. Wat zullen mensen wel niet denken? Dat dit voor mij prio 1 is nadat ik mijn grote liefde ben verloren? Ik merk dat ik een behoorlijk oordeel heb over mezelf. Of bang ben voor het oordeel van anderen. “Hoe gaat het met je?” Tja, eigenlijk gaat het best goed. Ik ga weer werken, ik doe mijn ding, hou me staande. Ik kan lachen. En natuurlijk raakt het verlies me meerdere keren per dag. Soms verwacht, soms onverwacht. De kinderen die voor moederdag met een boek of een spreuk in een lijstje komen. Mijn schoondochter die ‘s avonds nog een knuffel stuurt via whatsapp. De rolstoel die het huis uit gereden wordt. Hij vervloekte het ding, maar toen hij opgehaald werd, triggerde dat wel een huilbui.

Ook het fotobehang in de keuken gaat eraan. Marc wilde het graag en ik vond het ook wel leuk. Eigenlijk was ik er ook best snel op uitgekeken, maar hij vond het mooi, dus bleef het. Ik heb hem nooit gezegd dat ik het effect vond tegenvallen. En nu gaat het dus ook weg. Er komt zachter behang voor terug.

Toen ik het er met mijn dochter over had dat ik dit zo vreemd vond van mezelf, zei ze één woord: Nesteldrang. En ik denk dat dat de spijker op de kop is. Het huis van ons samen, met onafgemaakte klussen en compromissen, moet nu mijn veilige haven voor de toekomst worden, mijn warme nestje. En daar ben ik kennelijk mee bezig. Ik maak de kleuren zachter en warmer, vrouwelijker. Ik ga nu ook gewoon een heftig bloemenbehangetje in het toilet doen, iets wat hij niet wilde. “Ik ben een man”, ik hoor het hem zeggen. Maar waarom niet, nu doe ik het gewoon.

En misschien is het ook wel afleiding zoeken, weglopen voor het verdriet en de pijn. Soms zegt er iemand: “Neem je wel de tijd om te rouwen?” Tja, hoe doe je dat? Ik kan er niet voor gaan zitten. Soms is het er en soms ook niet, of meer op de achtergrond. Soms pakt het je, grijpt het je bij de keel op onverwachte momenten en soms kun je plezier hebben en je daar weer schuldig over voelen. Eigenlijk maken we het onszelf heel moeilijk door ons eigen oordeel en de vrees voor dat van de ander. Het gevoel te moeten bewijzen dat je wel verdrietig genoeg bent. Ik lees overal dat rouw niet lineair is. Je stort niet in een diep gat en kruipt er langzaam uit. Het is geen rechte lijn. Het is een hobbelige weg met licht en donker, zon en regen, een lach en een traan. Een lange, hobbelige weg. Ik sta nog maar aan het begin.

(Visited 1 times, 1 visits today)

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *